De dorpen in de Gemeente Ooststellingwerf

Omdat de DERTIEN DORPEN KUNSTWERKEN EN MADER BEELDENROUTE IN DE GEMEENTE OOSTSTELLINGWERF verwijst naar deze website staat de informatie over de dertien dorpen en de gemeente op deze website als eerste vermeld. Het is bedoeld als achtergrondinformatie.

De volgorde van de beschrijving van de dorpen is gebaseerd op de route voor o.a. auto's zoals die vanaf 24 juni 2018 beschikbaar is. De opening van de route vond plaats bij hotel-restaurant Lunia in Oldeberkoop, waar ook het routeboekje verkrijgbaar is. Maar ook op een aantal andere plaatsen in de gemeente, o.a. bij de Tourist Info in Appelscha, kunt u dit routeboekje vinden.

Oldeberkoop

Oldeberkoop werd in 1228 voor het eerst genoemd, toen er een samenkomst was van Friese troepen die ten strijde trokken tegen Drenthe. (Een bisschoppelijk leger was in 1227 bij de slag van Ane in de pan gehakt.) Vanaf 1300 tot 1500 maakte Oldeberkoop deel uit van de Vrije Natie Stellingwerf, een boerenrepubliek, met aan het hoofd een drietal stellingen. Men had toen regelmatig ruzie met de graaf van Holland en de bisschop van Utrecht, die meenden aanspraak op dit gebied te maken.
In 1498 veroverde Albrecht van Saksen Fryslân. Daardoor verloren de Friezen en Stellingwervers hun vrijheid.
Helaas betekende  dat niet dat er een eind aan het strijden kwam. Zo werd Oldeberkoop in 1585, tijdens de tachtigjarige oorlog, aangevallen door de Spanjaarden, die de toren ondermijnden. (Toen 6 x 6 m., nu 4 x 4 m. Veel kleiner dus en zelfs tien meter lager.) De huidige toren is van rond 1625. Hierin is de oude klokkenstoel verwerkt die op het kerkhof stond.  De kerk zelf is van begin 12e eeuw en is in de 16e eeuw nog uitgebouwd. Een en ander is goed te zien aan de buitenkant.  In de kerk bevindt zich nog een doopvont uit de 14e eeuw.

In 1623 kwam bij Oldeberkoop de Bekhofschans, om zich beter te kunnen verdedigen tegen de Spanjaarden. Pas in 1673 vond hier de eerste krijgshandeling plaats, toen de Munsterse troepen o.l.v. Bommen Berend een aanval op Friesland uitvoerden. Met slechts vijftien brandwachten (soldaten) had men geen enkele kans, om die aanval af te slaan. Bij die gelegenheid werd het kanon vernageld (spijker in het zundgat voor de lont).  Door een hevige storm, die grote delen van de Stellingwerven onder water zette, vertrokken de troepen al na een paar dagen hals over kop richting Steenwijk.  Helaas werd Oldeberkoop nog wel hevig geplunderd: de toenmalige Lyclamastins ging in vlammen op. De Tsjonger-Lendelinie was een onderdeel van de Friese Waterlinie.

Op de foto de Bekhofschans rond 1900

Oldeberkoop was van 1816 tot 1856 de hoofdplaats van de gemeente Ooststellingwerf en had  bijna honderd jaar (tot 1940) een eigen belastingkantoor (nu Attent). Ook had men hier een kantongerecht en een gevangenis in het voormalige gemeentehuis, op de plaats van Klein Vredewoud.
Vooral de grootgrondbezitters Willinge Prins (oud bewoners van de villa’s Vredewoud en Lunia) hebben Oldeberkoop op de kaart gezet. Zij hebben rond 1900 aan de basis gestaan van de oprichting van de Zuivelfabriek, de CAV (Coöperatieve Aankoop Vereniging) en de Voorschotbank. Ook hebben zij geijverd om hier een landbouwschool en een huishoudschool te krijgen. Helaas resten ons nu alleen nog de gebouwen. Daar staat tegenover dat Oldeberkoop nog steeds een boeiend verenigingsleven heeft, een centrum is van kunst en cultuur en landelijk bekend is door de Kunstmanifestatie Open Stal.
Verder is Oldeberkoop bekend van zijn natuurschoon en zijn de Koepel- en Molenbos aangelegd in de zogenaamde Engelse landschapsstijl  die veelvuldig door de bekende tuinarchitect Roodbaard werd toegepast. Op de Delleboeren vinden we nog een overblijfsel uit de laatste ijstijd, een pingoruïne.

Nijeberkoop

Nijeberkoop is het kleinste dorp in Ooststellingwerf. De kerk, die ooit op het kerkhof gestaan heeft, had geen toren en is in het jaar 1826 afgebroken. Wel heeft men nog een klokkenstoel. Uit de klokkenstoel is in Tweede Wereldoorlog de klok weggevoerd en niet meer teruggekomen. Er zit nu een nieuwe klok in. Een oud verhaal vertelt van twee losgebroken paarden die zichzelf opsloten in de verwaarloosde kerk en daar de hongerdood zijn gestorven. Feit is dat er op het kerkhof paardenbotten zijn gevonden. 
Het dorp wordt doorsneden door twee doorgaande wegen, de Bovenweg en de weg van Oldeberkoop naar Makkinga (Grindweg). Van de Bovenweg wordt gezegd dat deze een gedeelte was van een oude heerweg.  Een heerweg of heirbaan, is een verharde langeafstandsweg aangelegd in de Romeinse tijd ten behoeve van het leger (heir = leger)

Nijeberkoop heeft nog steeds een landgoed De Boschhoeve dat van de rivier De Kuunder (Tsjonger) tot aan De Lende loopt. De landerijen ten zuiden van de Boschhoeve zijn aangemaakt en vruchtbaar gemaakt met behulp van dwingel (stadsvuil). Daar zat vroeger veel paardenstront in. Het pad waar de karren langs moesten rijden kent halverwege een splitsing. De beide paden komen na een paar honderd meter weer bij elkaar. Daar konden de karren elkaar passeren. Nijeberkoop had indertijd een loswal bij de Tsjonger.

Landelijk bekend werd Nijeberkoop door de vestiging van roofdierenopvang Pantera, nu met de naam Felida.

Elsloo (met dank aan Hendrik Betten):

 

Elsloo ontleent zijn naam aan de natuurlijke omgeving. Loo betekent bos en Elsloo is dus Elzenbos. Het is een in de 11e eeuw ontstaan, oud agrarisch boerenstreekdorp,

dat nu omringd is door een bosrijk gebied met fraaie zandverstuivingen, heidevelden

en vennen.

Op 16 mei 1914 is het dorp uit een soort isolement gekomen door de opening van de

tramlijn Oosterwolde – Steenwijk. Er reed toen een stoomtram met 6 wagons.

De huidige kerk dateert van 1913 en verving de veel oudere kerk, die bouwvallig was geworden. Die oude kerk stond zuidelijker en naar achteren op het huidige kerkhof en is vermoedelijk in 1632 gebouwd. In de klokkenstoel hangen een uit de 15e  eeuw daterende klok en een in 1954 gegoten klok.

 

In het huis tegenover de kerk werd in 1889 een handkrachtzuivelfabriek gesticht, na een ruzie met de stichter en directeur van de in 1887 gereedgekomen zuivelfabriek  “De Drie Gemeenten”. In 1908 verdween dit handkrachtfabriekje weer en werd de niet meer in werking zijnde fabriek van directeur Mr. L. Verwer overgenomen onder de naam de Coöp. Zuivelindustrie. De Drie Gemeenten werd in 1963 opgeheven na een fusie met de Coöp. Zuivelindustrie ‘De Zuidoosthoek’ in Oosterwolde


Ten zuidoosten van het dorp bij het buurtschap Canada ligt het natuurgebied

“De Monden”. In dit gebied lagen vroeger grote plassen en uitgestrekte veenputten. Dit veld was de gemeenschapsgrond van de boeren. Nog niet zo heel lang geleden kende men nog het zgn. “Mandeveen” (mande is gemeenschapelijk) waar de naam “De Monden” uit voort komt.

 

In de jaren twintig bouwden J.H. Koops e.a. op Canada een boerderij in Canadese opzet. Omdat zij tevens in de trant van Canada het land om de boerderij aanmaakten, noemden zij het Canada en lieten deze naam als opschrift op de boerderij plaatsen. Enkele jaren geleden is de boerderij afgebroken om plaats te maken voor een grote parkeerplaats.

 

Het bos langs de Kloosterweg is nog erg jong en voor het grootste gedeelte pas na de oorlog door “De Staat” aangeplant. Een gedeelte was echter al ingeplant door de Joden die hier in 1942 in een werkkamp zaten. De veelal werkloze Joden waren gelokt door de verzekering dat het om “gewone werkverruimingsarbeid in gewone Nederlandse Arbeidskampen onder gewone Nederlandse leiding” ging. In totaal zaten hier 174 Joden in het werkkamp De Landweer, die in het begin betaald werden en zelfs om de drie weken drie dagen betaald verlof hadden. Ze moesten de heide tot een meter diep omspitten, legden bos aan en hielpen bij het aardappelrooien. Later verslechterde de situatie en in de nacht van 1 op 2 oktober werden ze lopend naar Westerbork gebracht. Het bos  ten zuiden van de Kloosterweg staat nu nog bekend als De Jodenbos.

De Duitse Weermacht begint in de zomer van 1944 met de aanleg van een ‘Scheinflugplatz’, een schijnvliegveld, bij Elsloo. Ze willen de aandacht van het vliegveld Havelte afleiden en de geallieerden misleiden zodat ze slechts een dummy zullen bombarderen. De boeren in de buurt worden opgetrommeld om met paarden en ploegen de startbaan aan te leggen. Deze moet binnen acht dagen klaar zijn. Het schijnvliegveld wordt nooit afgemaakt. Wel staan er houten nepvliegtuigen.
De barakken van het werkkamp zijn na een kort verblijf van NSB'ers in 1946 afgebroken.

Op de foto barakken het Rijkswerkkamp De Landweer

 

Langedijke

Het dorp is ontstaan langs een weg. De naam (letterlijk "lange weg") verwijst hier nog naar. Langedijke was oorspronkelijk een echt boerendorp en werd voor het eerst in 1408 genoemd. Omstreeks het jaar 1500 wordt het dorp genoemd als een parochie (een kerkdorp). Het werd toen geschreven als Laigedick. In 1640 bestond het dorp uit 12 stemgerechtigde boerderijen. (Het beeld van De Melker dat in Langedijke staat verwijst naar dat agrarische karakter.)
De Tegenwoordige Staat van Friesland noemde het dorp in 1788 ‘een klein Dorpje aan den rydweg van Makkinga naar Appelsche, waar onder maar 12 stemmen behooren (opmerking: precies zoveel als 140 jaar eerder); ’t Kerkje zonder toren staat ten Westen van dien rydweg, en verder Zuidwaards vindt men eenige boeren huizen, in ’t geboomte aan de Bouwlanden, loopende tot digt aan Appelsche.’ Het kerkje zonder toren  is rond 1830 afgebroken

In de klokkenstoel hangt een klok uit 1300 en men claimt dat dat de oudste van Noord-Europa is. Het dorp telt een kleine 300 inwoners en behoort samen met Nijeberkoop tot de kleinste dorpen van Ooststellingwerf.

 

Appelscha

Voor het eerst wordt Appelscha als Appels genoemd in 1247. Het telde toen vier boerderijen. Een mogelijke verklaring van de naam is, dat het een samenstelling is van appel 'vrucht, dennen- of sparrenappel' en skea = 'bos’. Te vergelijken met het Oudnederlandse scaga = 'bosje'. In de 17e eeuw telde de Boerestreek 13 boerderijen. 

 

De heidevelden van Appelscha waren in die tijd in gemeenschappelijk bezit en werden het Appelsche veld genoemd of ook wel het Mandeveld. Mande staat voor gemeenschappelijk. Dit gebied was ruim 840 hectare groot. De boeren waren toen ook eigenaar van het hoogveen ten noorden van Appelscha. De Friese familie Lyclama à Nijeholt is al in de 17e eeuw begonnen met het opkopen van de 13 soolsteden (de boerderijen met land aan de Boerestreek.) Het ging hen alleen om de turf die daar te winnen was. In 1825 werd een 270 hectare groot gebied van het Mandeveld door de nazaten van Lyclama à Nijeholt verkocht aan De Maatschappij van Weldadigheid. In 1827 werd begonnen met de vervening van het veengebied bij Appelscha. Het dorp telde toen 150 inwoners. Goed dertig jaar later in 1860 waren dat er al 2000. De Opsterlandse Compagnonsvaart die dwars door Appelscha loopt werd hier rond 1820 gegraven. Toen rond 1890 de turf minder opbracht vonden er grote stakingen plaats (1893 hongeroproer), waarbij de stakers moed ingesproken werd door Domela Nieuwenhuis. Later mochten ze op kosten van de reservekas meehelpen in de bossen.

 

Deze foto is van het prachtige beeld de Veenwerker.

 

Tussen 1826 en 1850 kreeg Albert Beerents Prakken uit Oosterwolde door de aankoop van boerderijen een groot gebied in handen, waardoor hij ook rechten verkreeg op de gemeenschappelijke gronden: het Appelsche veld, een gebied van Zandduinen en harde zandige heide. Om dit gebied in toom te houden startte hij met de aanplant van bomen. Al eerder hadden de gezamenlijke boeren van de Boerestreek een boswal aangelegd om het zand te keren. (Deze werd in 2014 gerooid om uitbreiding van het plein mogelijk te maken.) Later werd dit planten overgenomen door Staatsbosbeheer, die in totaal 20 miljoen bomen heeft geplant.
In 1858 liet Berent Alberts Prakken een boerderij van de Prakkens verbouwen en daarbij werd een gedenksteen geplaatst met het opschrift ‘Duinenzathe’. Deze gedenksteen is nog altijd terug te vinden. De boerderij werd al snel een uitspanning waar mensen wat konden eten en drinken. Daarnaast zette Beerent Alberts zich in n voor de Bergfeesten, die tussen 1859 en 1865 in Appelscha werden gehouden.


In 1930 werd op de Boerestreek de speeltuin Duinenzathe geopend, die hier tot 1990 bleef. Daarnaast stond toen een limonadefabriekje. In de jaren vijftig en zestig zag het er in de zomermaanden zwart van de jeugd (huwelijksmarkt). In de jaren zeventig verliep de huwelijksmarkt.


Het openluchttheater dat men hier vindt, werd in 1918 voor het eerst gebruikt door anarchisten. De plek heette toen al De Koele. Men huurde deze van Staatsbosbeheer. Toen dat niet meer mogelijk was, kocht men een stuk grond voor

f 500,-- waar nu nog steeds (in de volksmond)  ’t Anarchistenkaampien’ is. Officieel heet het terrein “Tot Vrijheidsbezinning”.

In 1947 werd De Koele officieel een Openluchttheater en kreeg het grote faam. Landelijk bekende artiesten traden er op. 


De Opsterlandse Compagnonsvaart (officieel heet hij in het Fries ‘De Opsterlânske Kompanjonsfeart’, is een kanaal tussen de Nieuwe Vaart bij Gorredijk en de Drentse Hoofdvaart bij Smilde. De vaart maakt deel uit van de Turfroute. In 1630 is men in Gorredijk begonnen en men heeft er 200 jaar over gedaan om de gehele vaart te graven. Daarna heeft het nog tientallen jaren geduurd (tot 1894) voor de Damsluis werd gebouwd en er een verbinding kwam met de Drentse wateren. Dat het zo lang duurde had met angst te maken. De Friezen waren bang voor de toestroom van zuur water uit de Drentse venen en de Drenten waren bang dat Drenthe leeg zou stromen. Nu vervult de vaart een duidelijk toeristische functie. Veel bootbezitters weten heden ten dage hun weg naar Appelscha te vinden.


Jarenlang was de Boerestreek het domein van boeren en was de Bosberg alleen maar een hoge bult zand. Daar werden al vroeg de nodige vraagtekens bij geplaatst. In 1767 wordt die Bosberg al op een oude kaart genoemd en in 1844 schreef de Friesche Courant dat zich in de Bosberg ‘een oude eik’ bevindt. Professor Staring schreef hier in 1854 nogmaals over en hoewel het door een professor werd geschreven, maakte dat toen niet veel indruk.

Citaat: ‘Een van de hoogste, thans geheel met dennen en berken beplante heuvelen is hier, naar men wil, ontstaan door het onderstuiven van eenen aanzienlijken eik’.

Jarenlang bleef dit verhaal wat boven het stuifzand hangen en werd er geen aandacht aan besteed. Men bouwde er een theekoepel bovenop, waar toeristen van heinde en verre naar toe kwamen om van daaruit van de omgeving te genieten.

Citaat uit de Gids voor Reizenden uit 1877:

‘De hoogste en fraaiste dezer duinen is de Boschberg, ongeveer 20 meter boven den begane grond (47 meter boven NAP) en een zeer lieve plek, met schaduwrijk struikgewas en enkele boomen begroeid, terwijl op den top een theekoepel is gebouwd. Het is een geschikte plaats om er zich op het heete van den dag zeer landelijk te legeren, vooral wanneer men wat “koude keuken” heeft mede genomen, en het kan zeer wel gebeuren dat men er eene familie, b.v. uit het ongeveer drie uur verwijderde Assen aantreft, die met hetzelfde doel hier is aangekomen’.

 

Voor 1903 stond er op de Bosberg dus nog een theekoepel. Van daaruit had men een prachtig uitzicht. Men kon bij helder weer zelfs de Martinitoren van Groningen zien. De oorspronkelijk dertien meter hoge houten uitkijktoren op de Bosberg is in 1903 daar geplaatst door Staatsbosbeheer. Men gebruikte de toren toen, net als rond 1800 de Bosberg zelf, voor de kadastrale metingen. In 1920 is de toren nog een keer door een houten exemplaar vervangen, waarna er in 1933 een twintig meter hoge ijzeren uitkijktoren werd geplaatst. Dit was eigenlijk een elektriciteitsmast. In de oorlog was deze uitkijktoren permanent bezet. De Belvedère, zo werd de toren ook wel genoemd, werd na de oorlog niet alleen door de BB (Bescherming Bevolking) gebruikt maar ook door de bosbrandweer van Staatsbosbeheer. In 1954 was deze laatste wegens de grote droogte steeds op de toren aanwezig.

 

Van 1988 tot 1996 pachtte de VVV de toren voor 1 gulden per jaar van Staatsbosbeheer. De toren werd echter in 1996 gesloten voor het publiek wegens de slechte staat van de constructie. Alhoewel er toen maar liefst f 12.000,-- beschikbaar was voor de restauratie heeft het tien jaar geduurd voordat men het werk daadwerkelijk heeft aangepakt. Vanaf april 2007 was de toren weer te beklimmen. Helaas werd het uitzicht steeds meer gehinderd door de toppen van de bomen en daarom heeft men vorig jaar besloten een nieuwe toren te bouwen.

 

 

Ravenswoud

Het dorpje bestond rond 1850 alleen uit veenarbeiders, die in de buurt van hun werk een hutje bouwden waarin ze konden leven. Deze veenarbeiders werkten van het voorjaar tot ongeveer de langste dag in het veen om turf te steken. Daarna kon het niet meer omdat de turf niet meer droog werd voor de winter. Als het dan bevroor werd het bros en was het niet meer voor verkoop geschikt. Daarna ging men de wijken verlengen: deze werden gebruikt voor de afvoer van de turf en voor de afwatering. Dit verlengen van wijken werd ook wel ‘wyksmiten’ genoemd. Dit wyksmiten was voor rekening van de veenbaas. De veenarbeiders moesten ook de wijken onderhouden zolang het perceel van de veenbaas werd verveend. Hier was een bepaalde tijd aan gesteld. Bij het kopen van een perceel kreeg de veenbaas een aantal veenjaren. Binnen deze jaren moest het veen afgegraven zijn. Was dat niet het geval dan kwam het overgebleven veen weer in handen van de verkoper. Deze verkopers, de Compagnons, kregen hun grond dus altijd weer terug. Was het helemaal afgegraven, dan werd het als landbouwgrond weer verkocht. Vooral de aandeelhouders van de Compagnie profiteerden hiervan en niet de mensen in deze streek. 

Ravenswoud lag op de kruising van de Derde wijk en de Eerste Kruiswijk en werd vroeger Appelscha Derde Wijk genoemd. Pas in 1939 werd de naam Ravenswoud. De eerste echte woning werd gebouwd in 1871. Dat er niet veel gebouwd werd blijkt wel uit een telling in 1915. Het dorp telde toen nog geen 20 woningen. Na de Eerste Wereldoorlog gaat het sneller met de bouw. De Woningstichting bouwt dan woningen aan weerszijden van de huidige Compagnonsweg. Toch zijn de verbindingen met Ravenswoud dan nog erg slecht: modderige zandwegen met draaien en vlonders. In de loop van 1920 wordt de weg langs de Derde Wijk verhard. Hoewel men al in 1881 om een school vroeg, heeft het 49 jaar geduurd, voordat er daadwerkelijk een werd gebouwd.

Het dorp heeft een meester Lokstraat, vernoemd naar meester Lok die in de oorlog slachtoffer geworden is van een zogenaamde Silbertannemoord. (Als er een Duitser of een SS’er of NSB’er was gedood, werd als represaille iemand uitgekozen, waarvan men vermoedde dat deze in het verzet zat of zich bezig hield met onderduikers.)  Aan de zijkant van de school vindt men een prachtig beeld getiteld ‘Herinneringsbeeld’. Ook heeft het dorp op de kruising het beeld ‘De Turfgravers’. Deze titel is niet helemaal juist en had eigenlijk ‘De Stapelaars’ moeten heten.  Het stapelen, het ‘loegen’ was een kunst op zich. Een goed geloegde last was aan de bovenkant breder zodat er geen water naar binnen kon sijpelen. Vooral vrouwen beheersten de kunst van het loegen.

Het dorp ligt vlakbij het Fochteloërveen en heeft met de prachtige Compagnonsbossen en wijken voor de toerist veel te bieden. Man kan er heerlijk kanoën. Het mooiste wat Ravenswoud te bieden heeft is ongetwijfeld de toren Stairway to Heaven. Vanuit deze toren in de vorm van een periscoop heeft men een prachtig uitzicht op het Fochteloërveen en kan men zelfs de kraanvogel bewonderen.

Op de foto een huis van een turfarbeider

 

Haulerwijk

 

Haulerwijk telt ongeveer 3.200 inwoners en is één van de jongere dorpen van de gemeente Ooststellingwerf. Het dorp is ontstaan door de vervening. De bevolking is vanuit alle delen van Friesland naar Haulerwijk getrokken, wat het dorp een heel eigen karakter heeft gegeven. De mensen voelen zich hier over het algemeen meer Fries dan ‘Stellingwerfs’. In 1880 werd Haulerwijk een zelfstandig dorp. Daarvoor werd de bevolking bij Haule geteld.

Haulerwijk is een typisch voorbeeld van een veenkoloniedorp, een streekdorp langs de Compagnonsvaart, de Haulerwijkstervaart en Kromme Elleboogvaart. De vaart werd in 1756 door de Drachtster Compagnie gegraven in het dorpsgebied van Haule. In de Tegenwoordige Staat van Friesland (1785 – 1789) wordt nog met geen woord over Haulerwijk gerept (terwijl er al mensen woonden). Wel schreef men:  'Een groot deel der Grieteny bestaat nog in onvergraaven hoog veen, en bevat dus eenen schat, die in vervolg van tyd van zeer groote waarde zal worden.'

Ruim een halve eeuw later vermeldt Het Aardrijkskundig Woordenboek van Van der Aa:  'Het is eene volkrijke groote buurt van wel anderhalf uur lengte, zich langs de Haulervaart uitstrekkende. Men telt er 187 h. en ruim 1000 inw., die meest hun bestaan vinden in den veenarbeid en voorts in den landbouw. Er is hier eene kerk voor de Afgescheidenen.'

Het dorp was maar liefst 6 kilometer lang en verdeeld in een Beneden Haulerwijk, Haulerwijk en Boven Haulerwijk. Beneden Haulerwijk werd in 1954 het zelfstandige dorp Waskemeer. Haulerwijk zelf kreeg in 1880 de status van zelfstandig dorp.
Haulerwijk had de eerste eeuw van zijn bestaan geen goede verbinding over land. Het vervoer ging toen voor een groot deel over het water met een zogenaamde snikke. Een plaquette in het dorp herinnert nog aan deze tijd. Pas in 1911 kreeg Haulerwijk een ‘kunstweg’. Hoewel de woningtoestand van arbeiders in Haulerwijk zeer te wensen overliet, kwamen na de Woningwet (1901) pas rond 1920 de eerste initiatieven voor de bouw van volkswoningen.

In 1852 kreeg Haulerwijk de Hervormde Kerk in 1925 gevolgd door de Doopsgezinde Kerk. Beide kerken zijn zogenaamde zaalkerken. In 1930 kwam daar nog een Gereformeerde Kerk bij.

Haulerwijk is bij de toerist vooral bekend door het 300 hectare grote Blauwe Bos. Deze naam heeft het gekregen door de kleur van de sparren. Verder heeft het dorp nog een eigen openluchtzwembad De Welle.

 

 

 

Haule

De naam Haule is hoogst waarschijnlijk een afleiding van de Friese vorm havela, die hoofd betekent. De betekenis van ‘havela’ is, dat het een perceel is dat boven de omgeving uitsteekt. Het dorpsgebied van Haule wordt aan de noord- en oostkant begrensd door het veen dat vrij ontoegankelijk was, en aan de zuidkant door het laaggelegen stroomgebied van de Boven Kuinder. Maar al lag Haule midden in een woest heidegebied, ook dit had heel duidelijk een economische betekenis getuige het volgende citaat uit de Kroniek van Worp Tyaerda uit 1503: “Omtrent Sinte Peter ende Paulus is dye feen begonnen toe branden opper Haula”. Deze brand heeft ‘bouen maeten groete schaede gedaen enden fene, int hollt ende rogge, want dye brand lang duerde”.

Haule is van oorsprong een typisch boerendorp. Volgens het Cohier der Stemmen van 1640 waren er 20 stemdragende boerderijen. In 1734 bleek dat Augustinus Lycklama à Nijeholt  meer dan de helft van de zathe's (boerenerven) in Haule in eigendom verworven had, waarschijnlijk vooral met het oog op de in de omtrek van de boerderijen liggende venen. Dit eigendom betrof 16 plaatsen met een oppervlakte van 666 morgen. (Een morgen is meestal een hectare groot.) In het midden van de 18e eeuw begon men hier met de vervening.

De huidige kerk is gebouwd in 1854. Op de toren prijkt net als in Makkinga het Saksische paard. In de toren hangt de klok waarop staat, dat ze is gegoten ten tijde dat J. A. Willinge (uit Oldeberkoop) grietman was van Ooststellingwerf en Th. J. v. d. Leij, K. S. Hofstee en E. M. ten Hoor kerkvoogden te Haule waren. Dat was anno 1830.

In 1922 werd besloten grond aan te kopen ten behoeve van een te graven wijk van Haule naar Haulerwijk: de Nije Wyk/Nieuwe Wijk. De wijk was van belang voor de aanvoer van kunstmest en terpaarde, dat gebruikt werd voor het vruchtbaar maken van de landerijen. In 1924 was het werk gereed.

Haule heeft het landgoed Tonckenshoeve. Begin 1900 werden er in het Tonckensbos meerdere jaren openluchtsamenkomsten gehouden, waartoe sprekers werden uitgenodigd. Het Christelijk Fanfarekorps uit Haulerwijk speelde daarbij.

De meer dan 100 jaar geleden opgerichte vereniging voor Plaatselijk Belang draagt de prachtige naam ‘Helpt Elkander’. PB omschrijft Haule als volgt: ‘Haule is een groen woon- en leefdorp in een veilige, gezonde, menswaardige en landelijke woonomgeving. Rust, ruimte, natuur en landschap voeren de boventoon’.

 

Fochteloo (met dank aan Otto de Vent)

 

Fochteloo behoort tot de vroegst bewoonde gebieden van Noord-Nederland.

Reeds voor onze jaartelling was er bewoning. Fochteloo is van oudsher een landbouwdorp met 13 boerenplaatsen. Rond 1900 kende het dorp nog een vijftal boerderijen van het zgn. hallehuistype (vroeger vaak aangeduid als Saksisch), de meeste toen nog in de oorspronkelijke vorm uit de achttiende eeuw. Nu kent Fochteloo nog één exemplaar van dit type (bouwjaar 1708), echter niet meer in originele staat.

Bij elke boerderij hoorde een groot gedeelte woeste grond. Dit veld werd benut voor het steken van plaggen en turf, het weiden van schapen en de verbouw van boekweit. In het midden van de negentiende eeuw had Fochteloo nog 2000 schapen die gehouden werden in 5 kudden. In 1927 stond er nog een schaapskooi aan het Zuideinde.

 

Van 1887 tot ongeveer 1920 kende Fochteloo een voorjaars – en najaarsmarkt.

In 1960 had Fochteloo 936 inwoners, waaronder 500 afkomstig van de Molukken en gehuisvest in de kampen Oranje en Ybenheer.

 

Een geluk voor het Fochterloërveen is dat de turfwinning hier erg laat op gang kwam. In 1869 ontdekte men in het veen een waar oerbos van eiken en dennen. Er moet ooit een enorme zuidwester storm geweest zijn, want alle bomen lagen in noordoostelijke richting. Hoewel men in 1955 nog plannen ontwikkelde om de rest van het veen te ontginnen, is dat niet gebeurd. Wel kende men hier nog jaren twee turfstrooiselfabriekjes die in 1950 en 1951 werden opgericht: Men verwerkte in de fabriekjes het bonkveen tot strooisel voor paardenstallen en grond voor potplanten. In 1970 ging een van de fabrieken in vlammen op. Het andere turfstrooiselfabriekje (1951), dat van Sietse Veenstra, hield het zelfs vol tot 1980. Daarna liep de concessie af en werd ook deze schuur gesloopt.

 

In 1909 zorgt het water uit het Fochterloërveen voor ernstige overstromingen langs het Grootdiep. Was er toen te veel water, later heeft men ontzettend veel moeite moeten doen om het veen voor verdroging te behoeden.

 

De geschiedenis van het natuurgebied Fochterloërveen begint al op 20 september 1938 als Natuurmonumenten 200 hectare veengebied koopt van de “Compagnons der Opsterlandse en Ooststellingwerver Veenen en Vaerten”. Het beheer werd in handen gegeven van It Fryske Gea. In 1945 werd aan de westzijde een dijkje aangelegd, om het water vast te houden.

Het gebied werd definitief gered doordat in de troonrede van 1961 kwam te staan dat er geen ontginningen meer zouden plaatsvinden met rijkssubsidie. Overigens dreigde in de jaren ’60 nog wel het gevaar van een rijksweg Amsterdam – Groningen (Rijksweg 10, later Rijksweg 6 genoemd) . Gelukkig zijn die plannen toen niet uitgevoerd.

Tot ongeveer 1800 kende Fochteloo het stroompje De Vogelrijd, dat uit het veen kwam en enkele honderden meters ondergronds stroomde. Het mondde uit in het Diep.

Het kamp Ybenheer was in 1940 opgezet als werkverschaffingsobject. In de oorlog diende het als werkkamp voor Joodse mannen en voorportaal voor Westerbork en de vernietigingskampen. Slechts één man overleefde de verschrikkingen. Ter nagedachtenis aan hen is er bij de ingang van Ybenheer in 2002 een monument

onthuld. Het kamp diende vanaf 1943 als onderkomen voor ontspoorde jongeren.  Het werkelijke motief was hen te onttrekken aan tewerkstelling in Duitsland. Na de oorlog waren er NSB’ers geïnterneerd en nog wat later soldaten van het zgn. Friese Bataljon in opleiding voor de uitzending naar Indië

Oosterwolde (bron: oud-burgemeester Oosterwijk)

Oosterwolde is in 1328 een van de twaalf dorpen die zich van Drenthe afscheidden en zich aansloten bij de ‘vriezen van Stellingwerf’. Het Oost is het oudste gedeelte en telde oorspronkelijk een achttal hoeven. (De boerderijen van Oost lagen aan de Solt- of Soolweg. Deze weg zou een deel zijn van een oude handelsweg van Steenwijk naar o.a. Dokkum.) Daaromheen ontwikkelden zich kleine nederzettingen met o.a. de namen Buttinga, Jardinge en Nanninge. Op het oude buurtschap Rikkinga is het tegenwoordige bejaardencentrum Rikkingahof gebouwd. Het dorp telt maar liefst 13 buurtschappen die allen door de Historische Vereniging Oosterwolde zijn voorzien van informatieborden. Ook is er een routegids uitgegeven.

Oosterwolde was al vroeg het grootste dorp van de gemeente. In1408 moest het maar liefst 100 oude schilden (muntgeld) betalen aan de bisschop van Utrecht (Donkerbroek, Noordwolde en Wolvega betaalden elk 80 en Oldeberkoop 90 oude schilden.)
Oosterwolde kende van 1852 – 1857 een bijzondere markt voor bijen en honing. Jaarlijks werd daar maar liefst 9800 kg honing aangevoerd en 2330 kg was. Het geeft aan dat er in de gemeente nog enorme heidevelden lagen.

De eerste zuivelfabriek werd hier gebouwd door mr. L.G. Verwer uit Zorgvlied (1887), die ook zuivelfabrieken stichtte in Elsloo en Steggerda.  De fabriek werd echter in 1890 al een coöperatie door onenigheid met Verwer. Hoewel men in 1897 al begon met de coöperatieve aankoop van kunstmest heeft het nog tot 1908 geduurd voordat hier de Coöperatieve Aankoop Vereniging tot stand kwam.
Opmerkelijk is dat Oosterwolde in 1890 al een grote landbouwtentoonstelling had.

Op de oude dorpskerk (1735) staat een hond als windvaan en op het kerkhof een klokkenstoel. In een van de klokken staat de tekst:


Toen oorlogsleed trok over het land,
Viel de oude klok in vijands hand
Thans roep ik met een nieuwe klank
Ons volk tezaam tot lof en dank


Overigens dateert het zandstenen doopvont in de kerk uit de 13e eeuw en telt Oosterwolde naast deze kerk nog 5 kerkgebouwen.

Oosterwolde heeft een paar markante gebouwen zoals De Balhof op ’t Oost 56. Dit is in 1938 gebouwd naar ontwerp van A. Baart sr. uit Leeuwarden in een Interbellum-architectuur die verwantschap vertoont met de Delftse School. Dit gebeurde in opdracht van Mr. G.A. Bontekoe, die in hetzelfde jaar burgemeester van Ooststellingwerf werd.’ Tijdens de oorlog werd de burgemeesterswoning gevorderd en was er een afdeling Feldgendarmerie gevestigd o.l.v. Sturmführer Diehl.

Oostenburg. Dit gebouw op het Oost heette vroeger Barelsburg en hoorde bij een landgoed. Later werd de naam veranderd in Oostenburg. Tussen 1890 en 1904 doet het diens als marechausseekazerne. In 1905 wordt het oude Oostenburg afgebroken en vervangen door een nieuw Oostenburg.
En natuurlijk De Brinkhorst van 1908, die aan de Brinkstraat in het centrum staat.
Een van de bekendste herbergen van Oosterwolde was vroeger de Gouden Klok die men helaas heeft afgebroken. Het stond aan de oostzijde van de oude dorpskerk.

Een ander oud etablissement, De Zon bij de hoofdbrug, is gelukkig bewaard gebleven.  

 

In 1911 kreeg Oosterwolde een tramverbinding met Gorredijk en in 1914 een verbinding met Steenwijk. Overigens kende Oosterwolde al in 1886 een omnibusverbinding met Gorredijk.

 

Oosterwolde had in de Franse tijd net als Oldeberkoop van 1812 – 1816 een eigen gemeente: de gemeente Oosterwolde. Hierna werd deze opgeheven en het heeft tot 1886 geduurd voor Oosterwolde weer hoofdplaats werd: nu van de gemeente Ooststellingwerf.

 

Donkerbroek

Donkerbroek wordt voor het eerst vermeld in een oorkonde van 13 juli 1408. Deze oorkonde bevat een voorstel van ‘dedingslude’ (bemiddelaars) ter beslechting van een geschil tussen de bisschop van Utrecht en 31 Stellingwerfse kerspelen (kerkdorpen). Het wordt een schatting van 80 oude schilden (muntgeld) opgelegd. Een bedrag dat leert dat het tot de grotere dorpen in Stellingwerf behoorde.

Betekenis van de naam van het dorp

Donkerbroek werd in de loop van de geschiedenis op diverse manieren geschreven. Broec, brouc, broik of broek heeft de betekenis van moerassig land.  Het woord donk (donc) betekent ‘hoger gelegen woonplaats’.

In 1593 wordt er op last van Ûs Heit, de Friese stadhouder Prins Willem Lodewijk, een schans opgetrokken in het buitengebied van het dorp. (Nu langs de Schansdijk.) Deze maakte deel uit van een keten van verdedigingswerken in het Zuidoosten van Friesland en is alleen op haarscherpe luchtfoto’s terug te vinden.

Het kerkgebouw van de NH Gemeente dateert van 1714. (In 1850 krijgt men te maken met een kerkscheuring, want in dat jaar wordt de Chr. Afgescheiden Gemeente van Donkerbroek ingesteld.) Het eerste kerkgebouwtje staat er nog steeds op het adres Herenweg 98, maar is nauwelijks als zodanig te herkennen. Het huidige godshuis werd in 1912 gesticht.

In 1749 vond hier een ‘incident’ plaats. Jongeren luidden de klokken om de inwoners te waarschuwen voor de komst van belastingambtenaren. De ambtenaren, bang geworden voor de aanstormende en met seizen, schoppen enz. bewapende menigte, kozen het hazenpad. Martien Lammers, moeder van één van de klokkenluiders, werd in 1750 tot twee jaar tuchthuis veroordeeld. Haar verweer dat het om het zogenaamde St. Thomas luiden ging, werd verworpen. Het kunstwerk ‘De Klokkenluider’, te vinden tegenover het restaurant ’t Witte Huis, houdt de herinnering aan de gebeurtenis op 22 december 1749 levend.

In de Franse tijd (rond 1800) vernielen patriotten het familiewapen van de Lyclama à Nijeholts boven de ingang van de kerk. Tegenover de kerk danste men rond de Vrijheidsboom.

Rond 1790 is men met het graven van de Opsterlandse Compagnonsvaart gevorderd tot Donkerbroek. Acht jaar lang werd het dorp in tweeën gedeeld. Pas in 1798 komt er een brug. Het dorp ligt nu aan water en is dus ook bereikbaar per boot.

Rond 1900 kreeg de coöperatieve gedachte ook vat op Donkerbroek. In 1902 werd de ‘Coöp. Stoomzuivelfabriek’ opgericht, in 1904 een ‘Coöp. Ver. Tot Aankoop van Landbouwbenoodigdheden’ en in 1911 de ‘Coöp. Raiffeisenbank Donkerbroek’. Alle drie zijn overigens al weer historie. In 1911 reed hier de eerste tram.

In 1913 bezocht koningin Wilhelmina Donkerbroek en in 1958 koningin Juliana. Een tegeltableau in het etablissement herinnert daaraan. Een van de werkloos geworden arbeiders mocht haar de hand geven. Hij verklaarde later: “Nadat ik haar mijn hand had gegeven, heb ik die geloof ik drie weken niet gewassen”

In 1954 liep het inwoneraantal in één klap met enige honderdtallen terug omdat een deel van het noordelijke buitengebied van het dorp bij het nieuwe dorp Waskemeer werd gevoegd.

Waskemeer

Waskemeer ligt in het noorden van het Friese Ooststellingwerf en telt ongeveer 900 inwoners. Het kreeg in 1954 een zelfstandige dorpsstatus. Daarvoor heette het Haulerwijk Beneden. De naam van het dorp is ontleend aan een vennetje dat ongeveer 2 kilometer naar het oosten ligt. Dit heet het ‘Waskmar’ dat ‘was-meer’ betekent. In het vennetje werden de schapen gewassen. Het gebied was vroeger ontoegankelijk maar werd door de aanleg van de Haulerwijkstervaart in het begin van de 18e eeuw ontsloten. Turfarbeiders vestigden zich hier en dat kan als het begin van Waskemeer gezien worden. De vervening daarna ging snel, want reeds in 1758 was men hier uitgeveend. In die tijd was Waskemeer al uitgegroeid tot een aardige nederzetting.

Omdat in de smalle wijken de turfpramen op een bijzondere manier werden voortgestuwd, kreeg het dorp het beeld ‘De trilker’. Een trilker is iemand die de praam voortduwt vanaf de kant met een stok.

Bijzonder in Waskemeer is de P.W. Janssen Stichting. Peter Wilhelm Janssen heeft veel gedaan voor de bestrijding van de werkloosheid, armoede en de slechte woningtoestanden in Zuidoost Fryslan. In 1899 kocht Janssen ongeveer 40 ha heidegrond. Daarop is toen een aantal identieke boerderijtjes gesticht.
Zeer bijzonder voor een dorp met de omvang van Waskemeer is de CSG Liudger, een school voor vmbo/mavo en havo/vwo, die locaties heeft in Burgum, Drachten en Waskemeer.
Verder kende het dorp jarenlang een zuivelfabriek ‘Hoop op Zegen’. In 1968 fuseerde deze met de zuivelfabriek in Oosterwolde. Op 1 januari 1969 werd de fabriek opgeheven.

Makkinga

Makkinga is oorspronkelijk een streekdorp dat zich langzaam ontwikkelde tot een brinkdorp rond het kruispunt van wegen uit Elsloo, Oldeberkoop en Oosterwolde/Donkerbroek. De bekende familie Lyclama had hier een stins die in 1829 is afgebroken. Vanaf 1856 tot 1886 was Makkinga de hoofdplaats van de gemeente Ooststellingwerf.

In 1887 kreeg Makkinga door de Makkingaastervaart een verbinding naar de Tsjonger, die in die tijd werd gekanaliseerd. In 1911 werd de trambaan Lippenhuizen – Oosterwolde geopend, die via de Balkweg en Hoek Makkinga naar Oosterwolde liep. In 1914 kwam Makkinga aan de tramlijn van Oosterwolde naar Steenwijk te liggen.
Aan de Weemeweg is in 1895 de zuivelfabriek gesticht, de Coöperatieve Melkerij `De Eendracht`. Deze ging in 1908 op stoomkracht over. Het beeld ‘De Pijp’ herinnert hier nog aan. 
Korenmolen `De Weijert` werd in 1925 aan de Lyclamaweg herbouwd, na in Gorredijk (toen nog als houtzaagmolen) en Twijtel (ten westen van Makkinga) te hebben gestaan. Naast de korenmolen bevindt zich het museum voor oude handgereedschappen Oold Ark. Hier vindt men gereedschappen die in de periode 1850 - 1950 werden gebruikt.

Makkinga is het eerste dorp dat zich volgens de ‘Shared Space’-gedachte verkeersbordvrij mocht noemen. Verder kent Makkinga al veertig jaar op elke laatste zaterdag van de maanden maart t/m oktober een Vlomarkt.

 

Ooststellingwerf

Ooststellingwerf behoort van oudsher tot de Stellingwerven. Deze gebieden zijn al duizenden jaren bewoond. Bij archeologische opgravingen zijn voorwerpen gevonden uit het stenen en bronzen tijdperk. Een van de bekendste daarvan is het offermes van Appelscha, dat te bezichtigen is in het Fries Museum in Leeuwarden. De naam Stellingwarf werd in 1309 voor het eerst genoemd in een banbrief van de bisschop van Utrecht. Deze naam komt van het woord ‘stelle’ dat ‘meetellende hoeve’ betekent. Een stelling was een vertegenwoordiger van een stelle. De stellingen vervulden de officiële functies en waren het bestuur in de regio.

Het gebied hoorde ooit bij Drenthe. Rond 1328 kwam de afscheiding, toen twaalf kerspelen van Drenthe zich aansloten bij de Friezen van Stellingwerf. Tot het begin van de 16e eeuw heeft het gebied als een kleine zelfstandige boerenrepubliek gefunctioneerd. Het bestuur was toen in handen van zogenaamde stellingen; vandaar de naam Stellingwerf. Daarna is het gebied bij Friesland ingedeeld, in het begin als één, later – in 1517 – als twee grietenijen. In dit gebied zijn vroeger geregeld oorlogen gevoerd, waardoor er rond 1593 en later in 1623 schansen werden opgeworpen. Deze lagen aan enkele toegangswegen tot Friesland, in het immens grote veengebied tussen Friesland en Drenthe/Overijssel. Tot de Tweede Wereldoorlog haalde men een inkomen uit de vervening, de landbouw, de bosbouw, de jacht en wat handel. Sinds de jaren vijftig kwam een snelle ontwikkeling op gang, waardoor veel mensen werk vonden in handel, industrie en dienstverlening. Ook leverden voorzieningen op het gebied van onderwijs en welzijn veel nieuwe banen op.

 

Ondanks de samenvoeging met Friesland heeft Ooststellingwerf  haar eigen identiteit behouden. Landschappelijk gezien hebben sommige dorpen nog een Drents karakter met hier en daar nog een Saksische boerderij. In de landerijen zijn nog veel boswallen te vinden. Vooral in de kleinere dorpen wordt nog het Stellingwarfs gesproken, al staat deze taal onder druk van het Nederlands. Het Stellingwarfs is verwant aan andere Nedersaksische streektalen van Drenthe, Overijssel, Gelderland en Groningen. In de Noordelijkste dorpen wordt overigens ook veel Fries gesproken.

 

De gemeente Ooststellingwerf bestaat nu dus goed 500 jaar. De gemeente telt 13 dorpen, waarvan Oosterwolde veruit de grootste is. Dit dorp is dan ook de hoofdplaats sinds 1886. Daarvoor was dat Makkinga  en daarvoor Oldeberkoop. Die laatste twee zijn ook de oudste dorpen van de gemeente. Zo is de kerk van Oldeberkoop al van de 12e eeuw.

De gemeente laat zich grofweg opdelen in drie gebieden:  De hogere zandgronden in het Zuidoosten, de veengebieden in het Noordoosten en het landschap dat vooral bepaald wordt door de oude rivieren De Lende en de Tsjonger in het westen. Die rivierdalen zijn al in de voorlaatste ijstijd ontstaan toen hier gletsjers doorheen gleden.

De gemeente onderscheidt zich door de aanwezigheid van uitgestrekte natuurgebieden, zoals het Drents Friese Wold bij Appelscha. Dit is het op een na grootste aaneengesloten bosgebied van Nederland, waar rond 1900 20 miljoen bomen zijn geplant.  Ook het Aeckingerzand, beter bekend als De Kale Duinen (een stuifzandgebied) , maakt deel uit van het Drents Friese Wold. De hoogste top is hier de Bosberg waar in 2016 een prachtige nieuwe uitkijktoren werd geplaatst. Het ontwerp is geïnspireerd op een reusachtige dennenstam en is een ontwerp van architect Frans Beune uit Assen.
En natuurlijk het Fochteloërveen bij Fochteloo. Dit is nog een van de weinige levend hoogveengebied van Nederland van maar liefst 2500 hectare. Het gebied is zo belangrijk dat het zelfs werd opgenomen in de allereerste internationale overeenkomst inzake milieubescherming, het zogenaamde verdrag van Ramsar (Iran). Het geeft wel aan hoe groot de internationale betekenis van dit gebied is. Het Fochteloërveen is verder bekend door de Kraanvogels en de schitterende uitkijktoren met de fraaie naam Stairway to heaven. Deze naam valt extra op als men weet dat de ontwerper Dick de Haan kort na het maken van het ontwerp stierf.
Naast deze internationaal erkende natuurgebieden kent Ooststellingwerf ook nog kleinere parels, zoals o.a. het Blauwe Bos bij Haulerwijk, De Schaopedobbe bij Elsloo en de natuurgebieden bij Olde- en Nijeberkoop.  

Bijzonder in Zuidoost Friesland zijn de verschillende historische klokkenstoelen. Dit zijn open bouwwerkjes, meestal van hout, waarin klokken zijn geplaatst. Vaak zijn ze te vinden bij sobere zaalkerkjes of bij kerkhoven. Vroeger werden ze gebruikt om berichten door te geven. In Ooststellingwerf zijn ze onder andere te vinden in Appelscha, Elsloo, Oosterwolde, Fochteloo, Donkerbroek, Langedijke en Nijeberkoop.

 

Ooststellingwerf onderscheidt zich verder van de meeste gemeenten door een brede belangstelling voor kunst. Dat begon al bij burgemeester Bontekoe (1938 tot 1965) die pleitte voor een vorm van openbaar kunstbezit. Dit werd later verder uitgewerkt door burgemeester Oosterwijk (1965 – 1985) die de uitspraak  lanceerde: ‘Als je naar je zin woont, ga je je huis versieren’. Het beleid om elk dorp een kunstwerk te geven werd gerealiseerd onder burgemeester Lesterhuis (1985 – 2006). Toen alle dorpen waren voorzien verscheen in 2007 in opdracht van de raad het boek ‘Kunstwerken aan de weg’.
Die belangstelling voor kunst kreeg in 2016 een duidelijk vervolg, toen de gemeente in december van dat jaar met de stichting Beheer Collectie Hein Mader een overeenkomst tekende, waarbij een groot aantal beelden in een kunstroute geplaatst worden. Met de hieronder beschreven route komt u langs een groot deel van deze geplaatste beelden.

 

 

Adres:

Karst A. Berkenbosch
Stellingenweg 9
8421 DA Oldeberkoop
Nederland

Openingstijden: